Het groot orgel

In 1957 werd door Verschuren uit Heythuyzen een groot 3-manualig electropneumatisch instrument gebouwd. Als basis voor dit orgel werden de neogotische kast, de hoofdwerkwindlade en een groot deel ouder pijpwerk van het voormalig Ruef orgel (1910) gebruikt. Dit tweeklaviersorgel van Ruef was op zijn beurt een verbouwing van een kleiner orgel van Vermeulen (eind 19 e)  dat vooraan rechts stond opgesteld, een deel van het pijpwerk vooral uit het recit  is nog van Vermeulen. Enkel het rugwerk is volledig van Verschueren., Het instrument was toe aan een uitgebreide renovatiebeurt zowel op het vlak van de electropneumatische tractuur als op klankmatig gebied. De klank was futloos , zwak en weinig karaktervol. De door Verschueren gehanteerde toonhoogte was 431 Hz voor a1 en daarmee ruimschoots te laag voor ensemblespel.
De frontpijpen werden opnieuw gelakt en er werden afdekplaten geplaatst tussen middenfront en zijvelden, waardoor de klank meer gebundeld naar buiten treedt. Er werd een afscheidende zijstijl tegen de muur geplaatst aan weerskanten van het front.
Het rugwerkfront dat naast het frontpijpwerk gesloten was, werd opgengemaakt voor een veel directere klankuitstraling. De C-kant van het recit stond deels achter een gesloten front (middenpartij), dit werd eveneens opengewerkt met vier nieuwe zwelluiken. Zodoende is de klank gelijkmatiger en veel duidelijker in volume regelbaar dan voorheen. De kastvoet waarin het hoofdwerk en pedaal staan opgesteld werden meer opengewerkt voor een betere klankuitstraling.
Verder werd de schokbalg van het pedaal (nog van Vermeulen) volledig opnieuw herbeleerd.
Alle contacten in de speeltafel werden grondig gereinigd, de kegelbalgjes nagezien en waar nodig vervangen. De speeltafel kreeg een volledig vernieuwde ledverlichting.
De grootste HW trompetbekers werden van deugdelijke roosters voorzien tegen het doorzakken, voorheen werden ze met touwtjes recht gehouden. Alle roosters in het hoofdwerk werden afdoende vastgezet.
Qua intonatie zijn vooral de lage bastonen van de 16 en 8-voets prestanten en de gedekten 16, 8 en 4 krachtiger gemaakt.
Bij alle 8 en 4 en 2-voetsregisters werd de draagkracht verbeterd. Aan de hogere labialen en mixturen werd niets gewijzigd.
Het resultaat van deze werken is dat het instrument een pak romantischer klinkt dan voorheen, het verschil in draagkracht is vooral te horen vooraan in de kerk. De klank is een stuk boeiender en imponerender.De tongwerken versmelten veel beter in het plenum.

Dispositie

Manuaal I-HW   Manuaal II-rugwerk   Manuaal III-reçit        Pedaal
prestant 16   V /R bourdon 8   V   bourdon 16   R prestantbas 16  transm. HW
montre 8   V/R kwintadeen 8   V      diapason 8   R/Vm subbas 16   Vm
flute harm. 8   V/R prestant 4   V     salicionaal 8   R/Vm zachtbas 16   transm. recit
bourdon 8   V/R blokfluit 4   V Céleste 8   R  octaaf bas 8   V
prestant 4   R    doublette 2   V   nachthoorn8   V  prestantbas 4   V/R
gedektfluit 4   Vm /R   tertiaan 2r   V   prestant 4   R/Vm    fluitbas 4   Vm
kwint 2 2/3   R     cimbel 3st   V echofluit 4   R/Vm   ruispijp 3r   V
doublette 2   V/R kromhoorn 8   V     kwint 2 2/3   V/R bombarde 16   V
sesquialter 3r   V  piccolo 2   V    
mixtuur 3r   V      terts 1 3/5   V
trompet 8   R/V  kleine mixtuur 3-4r   V
clairon 4   V    basson 8   Vm

V = Verschueren,   Vm = Vermeulen,    R= Ruef
handbediening: P+I, P+II, P+III,Man I+II, Man I+III, Man II+III,P+III 4′, Man I+III 16′, Man I+III 4′
voetpistons: idem, maar geen octaafkoppelingen
drukknoppen: aut.ped,oplosser,pp, p, mf, f, tutti, oplosser, VC A, VC B, tongwerken af, oplosser

Advertenties